De Man die de dood Verkocht

de dood slaat zonder onderscheid toe op alle anderen. Nooit op onszelf. En zelfs wanneer de vrouw met de knokige vingers en uitgedunde haren geel als hennep naast ons bed staat, dan nog overkomt het alleen ons lichaam dat zichzelf los laat en dieper de kussens intrekt, terwijl het verraderlijk theatrale bloed ons uit de mond druipt. Dan stopt men ons lichaam in een doodskist en spreekt men de dag van de begrafenis af, wanneer alle levenden samenkomen die dat niet kan overkomen en die ervan overtuigd zijn dat de dood altijd langs komt bij een ander, die juist die dag het geluk niet aan zijn kant had…

Maar dit verhaal moet je niet op die manier vertellen. Je moet van het einde vertrekken, en niet van het begin. De pelshandelaar Anastas Pravica verkocht de dood. In zijn geval is het niet iemand anders overkomen. Of toch wel, maar ook was ze altijd in zijn nabijheid en hem altijd ter hand. Anastas bezat een pelshandel op de Boulevard Kralja Aleksandra. Hij had hem geërfd van zijn vader die zoals Anastas een zeldzame en ongewone naam had. Zijn vader heette Sofronije en zelf had hij de handel geërfd van zijn vader, Anastas’ grootvader, Prokopije. De lijn zette zich zo verder. Iedere volgende generatie pelshandelaars werd gezegend met één zoon. Iedere volgende erfgenaam van de winkel kreeg een naam een pelshandelaar waardig en was ertoe gehouden de handel voort te zetten.

Zo gebeurde ook met Anastas, die een bijzonder krachtig en vitaal man was, naar uiterlijk helemaal niet als zijn knoestige voorgangers, enkele keren naar binnen gewikkeld en teruggevallen op hun intieme gedachten en geheime verkoopstrategieën. Pelshandelaars gedragen zich juist zoals juweliers een beetje heimelijk, want hun koopwaar heeft een grote waarde en is moeilijk aan te leveren. Maar in tegenstelling tot de juweliers wordt bij de pelshandelaars de heimelijkheid ten top gedreven, want ze worden rijk door het afschieten van zeldzame en dikwijls beschermde diersoorten en het villen ervan in enkele obscure, verlaten Oost-Europese hutten. De huiden die dan verkocht worden op de zwarte markt vereisen een betrouwbare verkoper, een betrouwbare bemiddelaar en ten slotte ervaren handen die ze in het geheim zullen opkopen en omvormen tot handschoenen, mantels en moffen.

En Anastas was daarom zwijgzaam, en wanneer hij sprak niet erg welsprekend. Hij leefde alleen in de winter op en voor zijn ogen verscheen voortdurend het beeld van vele rode ogen van zeldzame nachtdieren waarvan de pels geleverd werd op illegale beurzen in Hongarije, Transsylvanië, Moldavië en aan de oevers van de Zwarte Zee; Segedin, onmiddellijk achter de donkerbruine schutting van het oude grafveld; Arad, daar ver weg bij de verlaten klavervelden; Nađkanjiža in het steegje achter het monument voor de Hongaarse bevrijders; Ismail, bij het bevroren meer van Jalpug; Konstanz, daar bij de oude ankerplaats, allemaal waren dat plaatsen die hij vaak bezocht, waar hij overnachtte en alle cafézangeressen en kelnerinnen kende.

Van de reizen keerde Anastas vermoeid en geenszins tevreden terug. Hermelijn uit zuidoostelijk Siberië vond je steeds minder en zeker niet zo wit als in de tijd van zijn vader Sofronije, astrakan lam uit Afghanistan werd alsmaar bruiner, bijna nooit grijs, de zilveren sabeltijger uit Zabaikal was praktisch uitgeroeid, en op de markt waren enkel marters te vinden. Maar toch, iedere terugkeer vierde de meester met een glaasje rakija. Uit de voering van de mantel sneed hij dan een stukje pels, meestal niet groter dan een handpalm en bracht het naar de leerlooierij. Hij trok dan zijn gemakkelijk zittend reispak uit en kleedde zich om in zijn mooiste zwarte pak, ging naar het voorste gedeelte van de winkel, gewapend met zijn schijnheiligste handelaarglimlach en wachtte de klanten op, en de dood.

De pelshandelaar vervolmaakte zich in zijn vak. Voor elke pels had hij een speciale kwalificatie. Met een licht gebogen hoofd, als een kapelmeester in de periode van de rococo, sprak hij “vison”, met een langgerekte sissende “s” terwijl hij de koopwaar toonde. Met nog wat meer ervaring, als een Hongaarse dienaar, zei hij betekenisvol “sabeltijger” als “servus”, stalde het moois uit en wees op de finesse en noblesse. En verder zou hij neergebogen, het minzame geschenk aanprijzen, het woord “hermelijn” uitspreken en de klant uitnodigen in de achterkamer. En er was nog de situatie wanneer hij een beetje versteend, overmand door de zeldzaamheid ervan, het woord “poolvos” in de mond nam als prevelde hij “Heer God”. De meeste eerbied was echter het woord “astrakan” verschuldigd, plichtmatig vergezeld van de raadgeving aan de geïnteresseerde kenner om op het aangegeven uur terug te komen wanneer het gegeerde kleinood aan de winkel zou geleverd worden uit het speciale magazijn.

En Anastas voerde dit alles op als een kleine toneelvoorstelling, zoals een operazanger niet kan zingen als hij tegelijk niet slecht acteert. De oude pelshandelaar interesseerde niet zozeer de klanten, noch de koopwaar waarrond hij zich meesterlijk wentelde. Iets anders gaf hem geen rust. Niet zo heel lang geleden bemerkte Anastas – die als een echte handelaar de wandel van zijn producten natrok ook na de verkoop – dat enkele van zijn klanten gewoonweg ziek werden en stierven, niet al te lang nadat ze pels in zijn winkel hadden gekocht.

Een of twee keer deed hij navraag bij de gezinnen in rouw; enkele malen ging hij tot bij de priester aan het graf en bezocht hij het graf op de dag van de begrafenis van zijn klant. Hij ondervroeg de grafdelvers over de oorzaken van de dood van de “allerliefste”. Er was niet veel nodig of hij begreep dat een bepaalde soort pels voor een bepaalde persoon een zekere en snelle dood betekende.

Astmatische en kortademige klanten die het volgende jaar in zware hoesten zouden uitbarsten kozen voor witte poolvos; zij die bestemd waren voor een trage maar onvermijdelijke dood vanwege de opbloei van een boosaardige lelie in hun binnenste schaften zich astrakan aan; rebelse brutale rekels van wie de stuwing van de bloeddruk hun polsslag in twee zou splijten kochten sabeltijger; de bleke personen met een dunne huid waarop zich snel het aanvreten van de witte bloedlichaampjes zou vertonen hadden de meeste belangstelling voor hermelijn; en tenslotte hulden de figuren met ernstige verstoringen van de spijsvertering en obstinate constipatie zich in vison.

En er waren geen uitzonderingen, en het was geen toeval. Anastas Pravica verkocht wel degelijk de dood, hoewel hij in zijn binnenste dacht dat de pels niet de oorzaak was van iemands einde, maar voor alles slechts een rechtvaardig vonnis. De kortademigen trok eenvoudigweg poolvos aan, de cancerogene geelhuidigen astrakan, de rood aangelopenen sabeltijger, de bleke anemische hermelijn, en die met donkere wenkbrauwen vison. Maar niet enkel zij die duidelijk een neiging tot ziekte vertoonden en van wie men zag dat ze reikten naar de dood kwamen de pelshandel binnen op de herfstige Boulevard Kralja Aleksandra. Ook onbeslisten die geneigd waren te kopen wat de meester aanraadde bezochten de handelaar in gevaarlijke pels.

Voor deze maakte Anastas zich eigen de dood te kiezen. Hij monsterde het cliënteel, bekeek het als een ervaren arts en besloot voor de pels die het beste paste en als een kleermaker mat hij de laatste dagen en adem af. In het begin vond hij die rol wel erg onkies, maar hij wende eraan, want hij moest het cliënteel tenslotte iets voorstellen. De gedachte bezwaarde hem dat hij iemands einde in eigen handen had, maar met de tijd – en in de geest egoïstisch zoals iedereen – begon de meester plezier te krijgen in zijn rol van engel die de duur van iemands geluk en zijn laatste lijden bepaalt.

Niemand wist hiervan, want meester Pravica had geen verwanten of erfgenamen. En de belangstellenden stroomden toe en kozen: handschoenen of een kraag, een mantel of een hoed. De gelukkigsten zagen af van een aankoop en hun aangekondigde dood, door geldgebrek of aarzeling, maar de welstellenden kozen de dood en onwetend verlieten ze de winkel tevreden en overtuigd dat ze voordelig gekocht hadden. Anastas telde zorgvuldig het geld en nam hun precieze gegevens op: adres, burgerlijke stand, leeftijd. Het volgende jaar bekeek hij hun gelaat in de overlijdensberichten, kleedde zich in het zwart en bezocht de kerkhoven: Novo, Bežanijsko en Košutnjak. Anastas sloeg geen enkele klant over, het gebeurde nooit dat hij het graf van enige klant verwaarloosde. De kopers van verleden jaar werden dit jaar begraven en nooit gebeurde het dat iemand zestien maanden overleefde.

Had de meester hierover veel verdriet? Neen. Hij werd eraan gewoon, als één of andere god van de onderwereld en dacht dat hij gelijk noodweer, een aardbeving of gewoon een komedie in het theater functioneerde. Van iets moet je uiteindelijk sterven. Een gladde weg, onaangepaste snelheid, iemands vermoeidheid en een hoofd dat ontsnapt aan de bestuurder, tenslotte een gezwollen modderige rivier of een sneeuwlawine, dat alles kan iemand overkomen en niemand kan ervan beschuldigd worden of ervoor schuldig verklaard worden. Zo dacht meester Pravica, zo neemt de pels hoofden en zo handelde hij ermee.

En de klanten stroomden toe. De bel klingelde voortdurend aan de deur van zijn winkel in de schaduw van de platanen op de Boulevard Kralja Aleksandra. Vison. Sabeltijger. Hermelijn. Poolvos. Astrakan. Misschien ging het ook zo in Istamboel, Vidin, Pécs, Konstanz en Padua. Wellicht bestond er een lokale pelshandelaar die zoals hier in Belgrado met de dood handelde. En misschien, zo dacht Anastas soms, was hij uniek. Maar toch verwierp hij deze gedachte, verdiept in zijn werk, noch droef, noch vrolijk, en hij handelde zijn laatste dagen verder.

Het leven moest hem er in de loop van de vele jaren betrouwbaar, zwijgzaam en wonderlijk uitzien. De kopers van 1997 werden begraven in 1998. Die uit dat laatste jaar het volgende. Enkele werden begraven met veel vertoon en ontroering, met luisterrijke muziek; voor andere werd in de ijskoude winterse dagen de bevroren aarde nauwelijks open gegooid, en achter hun kist bevonden zich maar enkele verwanten en de trouwe pelshandelaar. Omzeggens nooit gebeurde het dat iemand een kalenderjaar overbrugde. Het kon enkel als iemand pels kocht in november of december, en dan nog overleden zij in de eerste maanden van het tweede jaar.

Zo ging het verder tot in de winkel op de Boulevard Kralja Aleksandra zich een op het eerste gezicht doodgewone klant aandiende. Het was één van die mensen geboren en getogen in de twintigste eeuw, die nooit iemand gehad hadden, alsof ze niet geboren zijn en nergens toebehoren. Op de drempel stond een magere man met een gerimpeld gelaat en koude, groene ogen. Het was op het einde van 1999.

“Ik ben een vreemdeling in deze stad,” sprak de bezoeker “En waar ik heen ga heb ik een warme mantel nodig met een goede kraag, daarom sta ik hier. Eens droegen de mensen een warme kraag van natuurlijke pels, maar nu zijn ze dat blijkbaar helemaal vergeten.”

Het leek erop dat achter de onbekende blik niemand zat. Achteloos legde hij de mantel terzijde die hij wou verbeteren, evenals de borselino hoed, en bleef staan enkel in een zwarte rolkraagtrui en een broek van dezelfde kleur. Onmiddellijk toonde hij veel belangstelling voor de pelsmonsters die de meester ook deze keer enkel voor hem had uitgehaald. Maar toch, in de ogen van de vreemdeling lag niet het verlangen dat kopers gewoonlijk vertoonden, noch ongeduld, noch de vervoering nu eindelijk de verboden vrucht te plukken.

Zonder veel omhaal koos hij voor sabeltijger als kraag en bestelde zich de dood bij hartaanval. Hij liet zijn mantel achter en sloot snel een akkoord over de prijs. Hij kwam de volgende week om de koopwaar, betaalde het saldo en schreef zijn gegevens netjes neer. De onbekende heette Gabrijel Šimanović, verblijvend in de Kičevskastraat. Van beroep was hij acteur. Hij vermeldde dat hij op het opgegeven adres nog hoogstens een jaar zou verblijven, omdat hij van plan was te verhuizen naar een andere stad, maar geenszins naar een andere wereld. Dan verliet hij de zaak en Anastas vergat hem bijna. Het jaar 2000 kwam eraan, onrustig voor de inwoners van Belgrado en ook voor de teruggetrokken en zwijgzame pelshandelaar.

Volgens de agenda van Anastas verwisselden zijn klanten toch de ene voor de andere wereld in de goede orde waarin ze zich de pels hadden aangeschaft. Alles verliep volgens schema, zoals het al jaren gebeurde, tot de kleine zwarte agenda van de pelshandelaar de naam van Gabrijel Šimanović aangaf. Die dagen berichtten de kranten over de overvloedige regenval en de overstromingen in het zuiden van het land. Mensen stierven vanwege de grote temperatuurs- en drukwisselingen, die wild huis hielden in de wilgenvelden rond de Sava, de eilanden in de Donau en in Belgrado zelf.

In de doodsberichten verschenen de namen van professoren van de universiteit, academici van meer dan negentig jaar, liefste grootmoeder-tantes en vooroorlogse piloten die het luchtruim van Belgrado met inzet van hun leven hadden verdedigd in 1941.

Maar toch was de toestand nog niet zo verontrustend. Het gebeurde wel meer dat zoals hierboven aangegeven een koper het jaar overbrugde en dat zijn leven verrassend werd gerekt en gespaard voor het onverbiddelijke einde. Er waren geen vaste regels bij het sterven en het kon dat het einde enkele maanden werd uitgesteld. Het is niet gemakkelijk om te leven, maar het is ook niet gemakkelijk om te sterven. Dat alles wist Anastas Pravica, maar wat hem de vorige jaren altijd tot rust had gebracht was dat de volgorde van de aankoop altijd overeenstemde met de volgorde van de dood. Als een acteur van een theater niet stierf betekende dat voor hem in het begin dat enkele weken of maanden geschonken werden aan allen die onzichtbaar in de rij wachtten op de dood.

Maar toch gebeurde er iets ongewoons, iets wat ten gronde het onbeduidende leven zou veranderen van een handelaar die de dood verkocht. Een heer die onmiddellijk pels kocht na de onbekende met metaalgroene ogen stierf “na een lange en ernstige ziekte”. Dat was voldoende voor veel onrust en kopzorgen in een ogenschijnlijk onbelangrijk en teruggetrokken pelshandeltje op de Boulevard Kralja Aleksandra.

De pelshandelaar schoot in actie, ging nog eens de kerkhoven van de stad langs en vervloekte zichzelf dat hij pels verkocht had aan vreemdelingen. Nu moest hij graven bezoeken in het zuiden van Hongarije en het westen van Roemenië. Hij ging op zoek naar de groenogige liefhebber van sabeltijger. In het begin dacht hij dat de vreemdeling gewoon de weg gegaan was die hij had aangegeven en ergens in de stilte van het buitenland was overleden, goed en wel volgens de orde die men niet kon en mocht overtreden. Hij moest hem vinden, hem vinden moest hij hem tegen elke prijs, zodat de regel in de agenda kon ingevuld worden en de rij van de dood niet in gevaar kwam.
Dus kleedde de meester zich in het pak waarin hij de klanten ontving en ging op weg naar de Kičevkastraat die zijn ongewassen bewoners nog beschermde via achtertuintjes. Hij was niet verwonderd toen de conciërge hem vertelde dat de vreemdeling verhuisd was naar Segedin, waar hij werk had gevonden als acteur van het plaatselijke jeugdtheater. Hij werd wel verontrust toen bleek dat op de dag dat de volgende van zijn klanten overleed de vreemdeling nog goed en wel in Belgrado verbleef.
Er was iets gebeurd, iets ongewoons en geheimzinnig. Anastas verwonderde zich nu als elke gewone sterveling. Maar terwijl bange mensen verwonderd zouden zijn voor wat voor hen de werkelijkheid was, was hij verbaasd over wat een gewoon en niet opgedirkt leven was. Een onbekende kocht pels, trok zijn jas aan en verhuisde naar het zuiden van Hongarije, waar hij, als half-Hongaar werk kreeg in een jeugdtheater. Nu vermaakt hij enkele plompe Hongaarse kinderen met rode wangen als een chocoladeverpakking. Wat is daar ongewoon aan? Niets voor niemand, behalve voor Anastas Pravica. De vreemdeling moest sterven en hij zag er niets tragisch in. De pelshandelaar wilde de dood niet, hij verkocht ze enkel, en zoals elke goede handelaar lette hij op zijn omzet en poogde hij zich niet te schaden uit onachtzaamheid.

Hij keerde naar zijn winkel weer, hij verzette de belletjes zodat ze niet konden rinkelen, en hij trok zich peinzend in zijn leerlooierij terug. Daar bedacht hij dat alles ten einde was en dat hij in het laatste jaar van de twintigste eeuw opnieuw een handelaar was die enkel zeldzame pels van nachtdieren verkocht. Speet het hem dat hij de dood niet meer kon verkopen? We kunnen het aannemen. Hij moest ermee ophouden, kalmeren, zei hij in het begin tot zichzelf. Maar toch, er was iets dat hem ertoe aanzette dit onverklaarbare geval te onderzoeken – misschien de laatste keer – en dat hij zichzelf ervan overtuigde dat de ononderbroken reeks van de dood tot een eind was gekomen door die vreemde, zwijgzame koper. Het was voor de pelshandelaar beter van dit plan af te zien en zich met zijn lot te verzoenen dat hem terug tot louter een pelshandelaar zou maken, maar Anastas had al te lang het verkopen van de dood beschouwd als zijn beroep dat hij kon toelaten dat de wilde veranderingen op de markt van het leven voor altijd de deur zouden sluiten van de werkplaats van de dood.

Hij begaf zich daarom naar het station en nam de ochtendlijke sneltrein, die zich door de bevroren velden naar Subotica boorde. Vandaar reed hij met de lokale autobussen naar Hongarije en belandde hij in Segedin. Hij had het niet moeilijk het jeugdtheater te vinden, want hij sprak zelf Hongaars en had veel kennissen in Segedin. Hij wendde zich toch eerst tot zijn geheime leveranciers, voorbij die donkerbruine omheining bij het oude kerkhof. Daar werd hem de hulp beloofd die hij zocht. Tevreden ging meester Anastas naar het centrum terug en nam zijn intrek in het hotel “Hongarije”. Heer Kiš en zijn zonen vertelde hij niet dat hij onderzoek deed naar de dood van zijn klanten, want zij handelden met de dood van zeldzame vossen en lammeren en zij dachten er niet aan dat dit tot gevolg kon hebben dat een pelshandelaar handelde in de dood van mensen.

Neen, heer Anastas uit Belgrado vertelde de vader en de zonen dat hun medeburger per vergissing pels verkocht had van slechte kwaliteit en dat hij hem wilde opzoeken om de zaak te regelen. Hij ging zelfs op weg met dezelfde kraag van zilveren sabeltijger om zelf zeker te zijn en vooral overtuigend voor de anderen. Kiš en zijn zonen vermoedden daarom niets, en hij hoopte dat men hem reeds morgen zou inlichten over het feit dat Gabrijel Šimanović, eens verblijvend in de Kičevskastraat in Belgrado, dood was. Maar het was niet zo. De acteur Gabrijel kreeg inderdaad werk, maar in het poppentheater, niet in het jeugdtheater van Segedin. Dat theater had de reputatie één van de beste te zijn in de tijd van het socialistisch realisme. De poppenspelers – zo lichtten de lokale medewerkers de meester in – schoolden zich bij de volkskunstenaars van de Sovjet Unie en vervolmaakten zich in poppenspelgezelschappen in Polen en Tsjechië. In het theater “Thalia” lette men vooral op de stemmen, die even overtuigend moesten zijn als de marionetten. Daarom kreeg Šimanović daar werk als acteur, hoewel eigenlijk alleen zijn stem werd tewerk gesteld…

Maar kom, misschien juist omdat daar alleen zijn stem en zijn oude Hongaarse uitspraak werk kreeg, bleef hij niet lang bij het theater “Thalia” en verliet hij het goed betaalde werk achter de schermen voor Budapest. Aan de familie Kiš wist men in het theater niet te vertellen waar hij nu werkte, maar Anastas zeiden ze dat hij marionettenkoningen altijd speelde met zo een pathos à la Shakespeare en dat hij hen niet erg beviel, noch als mens, noch als kunstenaar. Daarom wisten ze nauwelijks waar hij heen getrokken was en waar hij zich in de hoofdstad gevestigd had. Maar toch dachten ze dat het in de Nadorstraat was, niet ver van het Rooseveltplein.

Dat was genoeg. Meester Pravica nam hartelijk afscheid van de vader en zijn zonen, en met een trein die in wijde boog de bevroren Hongaarse poesta doorsneed reisde hij naar Boedapest. Toen hij uit de trein stapte in het oude station van Nugati nam hij een taxi naar de Nadorstraat in het andere einde van de stad. Aan de oude metalen koepelconstructie van Eifel besteedde hij geen aandacht want hij dacht alleen maar aan de acteur. De taxi voerde hem naar het Rooseveltplein. Daar bleef hij staan in de zijstraten voor een duister gebouw met twee vleugels, gebouwd uit donkere baksteen in Gothische stijl. Een enkel ogenblik dacht de pelshandelaar eraan om weg te gaan, maar dan trok hij de luxueuze maar verlaten gang in met glasramen aan de muren, waarop bootsmannen met duwstokken te zien waren, en het plafond versierd met stoffige luchters met parels waaruit zich een geelachtig licht voortplantte.

“Je verbaast me niet, meester Pravica.” sprak de acteur, toen de pelshandelaar eindelijk zijn deur op de tweede verdieping had gevonden, “Ik verwachtte je, kom binnen.”
De deur stond op een kier, hij verwijderde de ketting, deed de deur helemaal open en boog zich diep alsof zij twee de acteurs van een grote voorstelling waren. De woning van de acteur was ordeloos: op de onafgeruimde tafel resten van het laatste maal, op de vensterbanken hortensia’s in droge aarde met verdorde bladeren, aan de deuren enige haken voor mantels en daaraan maar één enkele, die met de kraag van sabeltijger.

“Ik weet werkelijk niet wat ik moet zeggen,” begon de pelshandelaar uit Belgrado in het Hongaars, maar hij werd onmiddellijk onderbroken.”

“Hou maar op, het heeft geen zin nog iets te zeggen, je bent aan het einde. Hier, in de Nadorstraat. Maar ga zitten, meester, ga zitten, maak het U gemakkelijk. Er zal niets vreselijks gebeuren. Ik weet alles, al ben ik hier in Budapest, net als bij U in Belgrado een vreemdeling. Jij bent Anastas Pravica. Je verkoopt pels, maar in werkelijkheid de dood, niet waar?” reageerde de acteur in het Hongaars. Met een afgemeten beweging die geen tegenstand duldde bood hij hem een zetel aan, naderde de handelaar, schuurde langszij, beklemtoonde het woord “dood” en fluisterde verder in het Servisch.

“Je bent gekomen om te zien of ik gestorven ben; hier in het afgrijselijke Budapest, in de lieflijke greep van een prostituee, of daar onverwacht in Segedin de jonge prins spelend, verdwaald in een vreemd koninkrijk. Maar niets daarvan. Ik ben geen gewone klant en ik bezocht je niet toevallig, daar op de Boulevard Kralja Aleksandra.”
Anastas dacht eerst te protesteren, maar te ontzet dat zijn geheim was ontdekt klemde hij zich enkel stevig vast aan de dokterstas waarmee hij op reis trok.

“Neen, asjeblieft, je moet niet opstaan want weldra gaan we samen door deze deur naar buiten, arm in arm als oude vrienden die elkaar al lang niet meer hebben ontmoet. Kijk, jaren lang verkoop je de dood en denk je dat het alleen anderen overkomt. Je bent haar geliefde niet, je lakens gaat de vrouw voorbij, maar daarom komt ze bij andere en neemt hen mee. Astrakan: kanker, hermelijn: leukemie, vison: een darmontsteking, poolvos: zwaar ontstoken longen, en tenslotte sabeltijger: een hartinfarct. We verwijten je niet dat je er in handelde. Je verkocht zo afgemeten en bescheiden mogelijk. Alleen één ding vergat je, en het is een beetje onaangenaam dat nu te moeten zeggen. Dacht je werkelijk terwijl je met de dood handelde dat je eeuwig zou leven? Neen, heer meester Pravica, dat was onvoorzichtig, want kijk, ik ben immers Gabrijel en vandaag is het je laatste dag.”

Op het ogenblik dat Gabrijel deze woorden uitsprak verstijfde plotseling de linkerhand van de pelshandelaar en de langzaam voortschrijdende pijn verspreidde zich door zijn aders naar de schouders en zijn versteende nek. Een ogenblik later begon het beeld van een acteur met grijze bakkebaarden gekleed in een zwarte broek en rolkraagtrui hem te achtervolgen. En hij onderscheidde de stem nauwelijks.

“Het was onvoorzichtig, heer Pravica,” hoorde hij toch, “Je hebt vals gespeeld met de pels. Doe je tas open, en je zal zien dat er zich een kraag in bevindt, jouw kraag, en nu moet je sterven. Het is Martes zibellina princeps. Sabeltijger. Je moet niet protesteren, janken of bidden zoals vele anderen, je weet tenminste wat de dood is.”

De pijn, diep, onverdraaglijk, maar momentaan, trof als een bliksemflits het hart van de handelaar en dan was er voor hem geen verleden, geen wereld meer. In plaats daarvan zag Anastas een donkere doorgang met aan het einde een hel licht. Je hoorde ook muziek, ver weg en in alle geval niet opdringerig. De deur van de woning waarin hij Gabrijel aangetroffen had stond open en hij zag nu hoe hij zelf uit de zwarte dokterstas een pelskraag nam, geheel gelijk aan die van Gabrijel. De aartsengel hielp om hem met knopen op zijn mantel te bevestigen, en dan schreden beiden, gekleed in sabeltijger, als oude kennissen in de richting van het licht…

De conciërge van het gebouw in de Nadorstraat vond het lichaam van de handelaar slechts drie dagen later, nadat de buren hadden gemeld dat uit de woning 12d een onaangename stank ontsnapte. De deuren werden geforceerd en in de enige kamer werd enkel het lichaam van Anastas Pravica gevonden, dubbel geplooid in een brede zetel, helemaal bebloed door een verraderlijke straal die uit de mond over de onderste lip was gevloeid. De dokters werden er snel bijgehaald en de vroegere handelaar in de dood werd overgebracht naar het stedelijke mortuarium. Uit de documenten kon men afleiden dat het om Anastas Pravica ging, een vreemdeling, en later dat hij geen verwanten had om het lichaam over te nemen. Daarom werd hij begraven in Budapest, op het wezenpark.

Twee gebogen grafdelvers waren de enige begeleiders toen op een winterse dag een katholieke priester een korte dienst hield. De pelshandel in Belgrado werd snel gesloten en niemand is te weten gekomen dat de enkele laatste cliënten die zich bij de handelaar van de dood onmiddellijk na aartsengel Gabrijel hermelijn, vison, sabeltijger, poolvos of astrakan aanschaften nog lang in leven bleven en hun mantels, handschoenen en moffen volledig afdroegen.

Geen enkele van hen wijdde er enige aandacht aan dat de pelshandelaar uit de Boulevard Kralja Aleksandra voortijdig overleed. Maar de dood die hij kende was waarlijk mooi, zo zacht als de eerste sneeuw zich neerlegt op de bevroren grond, alsof hij betreurde dat hij ze zovele jaren aan anderen had verkocht en ze nu niemand meer kan beschrijven.

Vertaald door Robert Stallaerts