Een zieke familie

het laatste avondmaal van het gezin Ritih in het vaderland werd genoten in alle rust en stilte. In het gesloten magazijn aten ze gezouten haring uit enkele borden, en overal rond de tafel lagen patronen van Duitse 120mm granaten. Het was schrik¬keldag van het jaar 1920 en de haven van Sebastopol die vol kleine stoom¬boten lag werd opgeschrikt door de trillingen van de ontploffingen op kaap Hersone en de baai van Balaklava. Erachter, op het Krim schiereiland, wachtten de soldaten van Vrangel en de gesneuvelden, evenals de Peloponezen, op verdere bevelen. En lager op de zee waren de dokken overvol. Een uiterst vreemde colonne vreemdelin¬gen rolde naar de haven. Buitengewoon mooie rijtuigen, getrokken door zes paarden, een heel huishouden, een dame met hondjes, officieren met een zelfmoordblik op boerenkarren. Van alles defileerde voorbij...
Aleksander Sergejević Ritih was tot voor kort minister van landbouw geweest, voor drie jaar leidde hij in de hoofdstad de opkoop van graan door de staat, sprak voor de laatste sessie van de vierde Doema, en nu at hij zwijgend en koesterde een weinig de vooroorlogse hypocrisie en de goede manieren. Toen hij zichzelf dezelfde avond een plaats moest toeeigenen aan boord van een schip, werd hij door het volk bijna een dok ingeduwd, recht het pekzwarte water in. Hij overdacht dat het mooi was de wereld te verlaten die nu toen zelf aan zijn eind kwam: in de ijskoude zee vallen, onder de romp van een schip worden gesleurd en daar in volslagen stilte verdrin¬ken. Hij boog zich vervaarlijk over de rand, gaf zich over aan de hollende en schreeuwerige massa, maar hij haalde het niet. Hij viel niet. De mensenhoop trok hem op het laatste ogenblik terug en bestempelde hem als een zielig zelfmoor¬denaar. 's Avonds verweet hij zichzelf dat hij nog leefde en laf zijn zwak en ontgoocheld organisme voedde, uitgeput door de oorlog en armoede. Iets na middernacht ging hij met zijn zonen aan boord van de stoomboot van de Rus¬sische Maatschappij voor Scheepvaart en Handel 'Konstantijn', die koers zou zetten naar Istambul. Op de Turkse straatstenen, langs kleine watervallen en caravanserays stelde Aleksander Sergejević Ritih de oude vraag "Wat te doen? Wie is schuldig? Waarheen nu?'en het klonk een beetje grappig, als een kleine, onduidelijke echo. Hij wandelde langs de wateren van de Bosphorus, nu al te voorzichtig, onwezenlijk vriendelijk en nooit zou hij weten dat nog aan de tafel in het magazijn van Puti¬lovski zijn jongste zoon Aleksej Aleksandrović overwoog hem te doden. Als hij had vermoed dat zijn zoon met het idee rondliep om hem te vermoorden, dan had hij hem misschien aan de tafel zijn grijze hoofd aangeboden onder een vaderlijke zegening van die euthanasie, maar hij wist het niet. De zoon at zwijgend, brak stil stukken gezouten haring af en overdacht hoe uit medelijden dat geëerde creatuur van de tsaar, het eertijds lid van de Staatsraad die ook 's zondags zijn mantel niet uitdeed, al lang uit de wereld moest geholpen zijn. Tussen de losslingerende patronen van de Duitse granaten dacht Aleksej Aleksandrović zijn vader te wurgen, zoals Oedipus de hand aan zijn vader sloeg: hij springt over de tafel en wurgt hem, maar op het laatste ogenblik weer¬hield hij zich. Het was vreemd hoe de vroegere stafmajoor van generaal Denikin zich op dat ogenblik de woorden herinnerde van Nikolaj Fjodorov, die hij lang geleden had gelezen. De geest van broederschap, schreef Nikolaj Fjodorov, is niet beperkt tot de mensen die hier en vandaag leven. De mensheid is één geheel en de geest van broederschap moet je ook uitbreiden tot de doden, tot 'onze vaderen'. Of de devotie van Fjodorov om de doden op te wekken Aleksej hinderde de oude Ritih te doden, dat weten we niet. Hij verslikte zich in een visgraat die in zijn keel bleef steken. Drie jaar later in het duister van het halfverlichte restaurant Kazbek, ergens in Parijs, danste Aleksej de kazačok tussen de tafels en dacht terug aan die nacht. Dan al wist hij alles over de perversie van de democratische eeuw. Hij zonk steeds dieper weg in het slijk van de Parijse onder¬wereld, verdiende 25 frank per dag en beklaagde zich dat hij op die schrikkeldag in 1920 zijn vader niet had vermoord, en zo tenminste zou gekozen hebben voor helse verachting, als het leven al niet...
Dat zou hij drie jaar later zeggen, en nu zat hij als een lafaard visgraten uit te hoesten die hem bijna verstikten en hem de kwellingen van het exiel hadden bespaard. Moeder klopte hem op de rug, de oudere broer Nikolaj Aleksandrov¬ić vroeg voorspraak bij God. Dan is het opnieuw stil. Het laatste avondmaal van de familie Ritih kent verder een rustig verloop. Van achter de gesloten houten deuren dringt het rumoer van de mensen binnen en opnieuw hoort men trillen van explosies rond Sebastopol. Gehuil stijgt ver weg op vanuit de wolvenrijke sneeuw¬ber¬gen van Kavkazië. Nikolaj Aleksandrović de oudste zoon van Aleksander Sergejević Ritih, neemt grote happen als een man die lang niet meer gegegeten heeft. Eens was hij een monnik. Hij trouwde met de stilte, de kromgebogen kaarsen en het gebed, en vanavond is hij gewoon hongerig. Zoals een kruimeldief in de zakken verschillende verschrompelde bankbriefjes vindt: roebels van de tsaar, de don, de doemin. Hij grijpt de gezouten haring vast die verschrikkelijk ruikt en hij is zich op dit ogenblik buitengewoon bewust van de macht van het kwaad. Solovjev voorspelde onder andere dat de volgelingen van Christus beperkt zouden blijven tot een vervolgde minderheid en niet in staat zich aan de anderen op te dringen. Alle wereldse macht zou alzo overgaan in handen van de Antichrist. Wat betekent het voor hem op deze schrikkeldag in 1920, schuilend in het magazijn van de firma Putilovski aan de dokken van Sebastopol, dat Vladimir Sergejević Solovjev de vereniging voorspelde van alle christenen voor het einde van de twintigste eeuw en de uiteindelijke overwinning op de wereld? Nikolaj Ritih is een bangerik en zal het volgende jaar sterven in Belgrado in het Russche ziekenhuis voor vluchtelin¬gen. De metastazen die hij voelt als een verhulde pijn, zullen zich als boosaardige lelies in heel het weefsel verspreiden en dokters in het sanatorium Wit Kruis in Topčider zullen niet eens pogen hem te genezen. Achter het witte scherm dat zijn doods¬gereutel zal omheinen, herinnert hij zich ook die avond wanneer hij geconser¬veerde haringen at tegen zijn zin, net zoals zijn vader decreten van de tsaar onder¬tekende. Ook hem vallen de oude vragen te binnen en hij zal geen antwoord vinden.
Het laatste avondmaal van de familie Ritih verliep in alle rust en stilte. Het leek er een ogenblik op dat iemand iets wou zeggen, maar onmiddellijk bedacht hij zich. Allen de scheve vorken en de verroeste lepels tikken op de borden. Men at haring uit enkele borden, en overal in het rond lagen Duitse 120mm granaten.

Het schrikkeljaar 1920.

Het maal

Toen in 1941 de Duitse troepen Belgrado naderden, hield de juwelier Karlo Ferfer nog het oculair onder de harige wenkbrauwen. Tot op het laatste ogenblik kon hij niet geloven dat het leger waarin zijn twee zonen dienden de nederlaag leed. Hij was trouwens gelukkig dat het bombardement hen niet in Belgrado had getroffen, want de juwelierszaak in de Garašaninstraat bleef wel onaangeroerd, zelfs de ruit van het winkelraam was niet gesprongen, maar het ouderlijk huis in Neimar was helemaal vernield door de directe inslag van een Duitse bom. Karlo stond altijd vroeg op en vertrok dan naar zijn winkel, maar de zonen waren gewend lang uit te slapen. Ze zouden nu dood geweest zijn...
Maar gelukkig waren ze nu ver weg, misschien wel in gevangenschap. Ferfer zat nog altijd in zijn juwelierszaak. Als één van de laatste vernam hij het nieuws van de val van Niš en de snelle ineenstorting van de verdediging van Kraguje¬vac. Hij kuiste de gouden voorwerpen in het uitstalraam op, liet zich verder verleiden door valse hoop op de kracht van het Engelse leger en droomde over een gezamen¬lijk Ser¬visch-Grieks front in Macedonië en Thessalië. Dinsdag vernam hij ook als één van de laatsten dat het Duitse leger was doorgestoten tot Bitola en Ohrid en dan besefte hij dat alles ten einde was. Niets van een gezamenlijk front, geen terugtrek¬king over Albanië, geen nieuw front in Thessaloniki. Uiteindelijk besloot hij zelf te vluchten. Armbanden en kettingen, gehypothekeerde ringen en de nieuwe collectie snuif¬dozen met familiewapens stak hij in een zak en hij wilde vertrekken. De bel aan de deur van de juwelierswinkel rinkelde, en de oude man hield stil. Hij had er zoals zoveel anderen op dat ogenblik niet aan gedacht de deur af te sluiten. Iets anders viel hem nu ook te binnen. In de vuile ongeregelde straten of op verdachte treinstel¬len wachtte zeker iemand hem op om hem te beroven. Daarom ging hij terug in de winkel binnen, hij schakelde de bel uit zodat niemand kon schellen en ging op zijn oude stoel zitten. Maar deze keer zette hij zijn oculair niet op. Het was avond en Ferfer was hongerig. Hij keerde het zakje om en er sterk van bewust dat zijn oud leven ten einde liep en niets meer betekende begon hij de kettingen binnen te zwelgen. Met bevende handen ontdeed hij de zegelringen van edel- en halfedelstenen en stak ze binnen als iemand die lang niet meer gegeten heeft. Dan ging hij buiten zonder de zaak af te sluiten. Hij had haast. Hij had geen tijd over. Hij slaagde erin de overvolle sneltrein naar Užice te nemen. Niemand van de reizigers geloofde wel dat ze tot de bergen van Užice konden geraken, en niemand merkte de oude man op die gehurkt in de hoek zat van de verstikkende goederenwagon. Iets voor middernacht kwam de trein toch in Užice aan, enkele uren vooraleer de Duitse gemotoriseerde brigade Prins Eugen de stad binnenreed. Onmiddellijk op het perron lachte het geluk de oude Jood toe. Gekweld door hevige buikpijn, met moeite de hevige neiging tot braken onderdrukkend, botste hij onmiddellijk aan het eind van de trein op zijn jongste zoon. De eenheid van Eliahu Ferfer was ontbon¬den. Het hoofd van de zoon was getroffen door een kogel, en zijn gehoor en zicht was verzwakt. Hij was erg verwonderd over vaders opwinding en aanhoorde een onduidelijk verhaal over goud, en dat juist hij met eigen handen na vaders dood de maag moest opensnijden. De oude man legde er de nadruk op dat hij dan zijn broer moest opzoeken en met de rijkdom vluchten ergens heen, ergens ver weg...Hij dacht dat de oude man door typhuskoorts was gegrepen en hij begelei¬dde hem naar het militair ziekenhuis in een tentenkamp, waar Karl Ferfer al vlug de geest gaf. Onmiddellijk daarna hoorde men het schriepen van de Duitse pantser-voer¬tuigen. Eerste commandant Eliahu Ferfer had nog juist de tijd om in vrede zijn vader te begraven.

Het gewone jaar 1941

Zelfportretten

Vandaag zullen we het hebben over de zelfportretten van Mladen Šarbinović. Hij schilderde er zestien in de loop van heel zijn leven als bladzijden uit een dagboek. Het eerste werd al gemaakt in 1921, toen hij nog op de schoolbanken zat, en wij zien scherpe contouren, pijnlijk duidelijk genuanceerde en afgelijnde coloraturen
die de oppervlakten van het gelaat van de schilder de expressie van een strenge terughoudendheid gaven. Reeds daar ontdekt men een dunne, nauwelijks zichtbare lijn. Ze begint onmiddellijk onder een krul blond haar, daalt af over het midden van de schedel, volgt de plooien onder de ogen en eindigt met een milde spleet onderaan het gelaat. In dit eerste zelfportret lijkt het of de kleur op de die plaatsen slechts licht is ingegrift is als ranke scheurtjes op porselein. Op hetvol¬gende portret zien we reeds de invloed van Parijs en een privéschool, waar de schilder Šar¬binović een deel van zijn jeugd doorbracht, van februari 1925 tot oktober 1926. Het beeld is nu lumineuzer, gekeerd naar de toeschouwer in een niet opdringerig halfprofiel. In dit portret zijn er geen duidelijk afgelijnde donkere oppervlakten, zoals in het vorige uit 1921. Het koloriet is optimistisch, met de flair van de lichtstad en een toets van Cézanne; en de lijn daar wijzigt enigszins haar loop, maar nauwelijks dikker en getekend met meer nuancering...
Alle portretten van tussen de twee wereldoorlogen ademen de diepe, sterke aanzet van de expressionistische kleuren. Het zelfportret in de wijngaarden van Mušički, het zelfportret bij de Armeense kerk, het zelfportret met de Donaureflek¬ties, het zelfportret met de zwarte kat op schoot en het zelfportret aan de toegang tot de Uspenski Poort zijn allemaal een deel van de evolutie naar een lijn van het gelaat die reeds dikker is en begint op te vallen. Uit deze periode valt vooral het zelfportret op het Graf van Almaški op. Hierop ziet men boven de kunstenaar een vochtig grafkruis van verweerd hout. De verraste toeschouwer zal merken dat de helft van het gelaat van Mladen Šarbinović in de schaduw ligt en de andere helft in het heldere morgenlicht baadt. En de scheidingslijn is opnieuw dit geheimzinnige litteken van de schilder die meandert in het midden van de bleke schedel en neerdaalt in een lichte boog boven het linkeroog. Dan reeds begonnen velen deze bijzonderheid op de zelfportretten in vraag te stellen omdat 'de schilder in werkelijkheid helemaal geen litteken vertoonde', maar het ware antwoord zou slechts een vier decennia later gegeven worden...In deze tijd schreef Rastko Petrović over het afgewassen gelaat zonder litteken dat wordt voorgesteld als een schaduw op het gelaat. En vele anderen keken met interesse naar deze bijzonder¬heid van Šarbinović zelfportretten. Op de vraag van waar deze hardnekkige kerf op de zelfportretten antwoordde de schilder geheimzinnig: "Ik weet het niet juist, ik weet enkel dat ik het altijd op dezelfde plaats aanbreng. Dat is misschien mijn aard, een menselijk uitgangspunt..."
En hij schilderde het verder. De volgende vier zelfportretten ontstonden voor de apriloorlog van 1941, de lijn op het hoofd van de schilder Mladen Šarbinović is nu heel duidelijk. Ze leek op een kerf, een gevaarlijke snijwonde zoals van een gebroken fles na een bloederig cafégevecht. Op het zelfportret op het open Frans balkon in de Mackenzystraat, geschilderd vlak voor de oorlog ziet men de schilder afgebeeld terwijl achter hem de wolken voortstormen, de rug gekeerd naar de bliksemschichten die over de huizen van Belgrado flitsen. De lijn is vreemd. Op het bleek opgelicht kunstenaarsgelaat is ze met een vuurrode kleur aangebracht zoals de aders in anatomische atlassen die de wegen van de arteriën aangeven op het gelaat van de mens. Dit litteken op de wang van schilder Šarbinović kondigt zonder twijfel de nabije oorlog aan; de capitulatie en de ondergang... De schilder zag de eerste Duitse soldaten Belgrado binnentrekken vanaf datzelfde Franse balkon in de Mackenzystraat. In de periode van de bezetting schildert hij weinig, niet alleen omdat de muzen zwijgen als de kanonnen spreken, maar ook omdat hij zich weldra aansloot bij de četnikbeweging en vocht tussen Stublin en Jabužje in de gelederen van majoor Zvonko Vučković. Uit die periode vinden we maar één schets in potlood, wellicht ontstaan vlak voor de ontbinding van de eenheden van Draža Mihailo¬vić. Hierop lijkt Mladen Šarbinović moe, maar niet van de strijd, noch van de aan¬staande nederlaag van de patriottische krachten, maar van die lijn die hem vervolgt en het gelaat doorsnijdt. Onmiddellijk nadat hij dit zelfportret gemaakt had - vanwege de haast en de verwarring een beetje slordig - volgde de nederlaag, de arrestatie en de veroordeling van Šarbinović geliefde generaal. Hijzelf trekt zich terug in het buitenland en over de schilder wordt niets meer gehoord in Belgrado of Novi Sad. Er is heel wat gebeurd sinds die tijd, en wanneer we de zelfportretten onderzoeken mogen we wel spreken over een tragisch einde, 'een einde waarnaar de lijn reeds refereerde sinds 1921...' In de emigratie vertoont Mladen Šarbinović dezelfde anemie en melancholie als de andere politieke vluchtelingen. Dikwijls verandert hij van verblijfsplaats en onbewust gaat hij een gevecht aan als hij de visie van de vervolgde aanneemt die belaagd wordt door duistere krachten en oude herin¬neringen. Toledo, San Sebastian, Lissabon, Londen, Davos en uiteindelijk Parijs: het laatste adres luidt Avenue Philippe Auguste 92. De schilder wordt lid van vele emigrantenorganisaties, maar noemt zichzelf verder "de man van het vij¬fentwin¬tigste uur". Het beeld in die jaren wordt gekenmerkt door hinderlijke kitsch, later uitgezuiverd, maar dan geschilderd met een verdroogd palet. Drie kleine doeken, ontstaan tussen 1948 en 1956, schetsen de tragiek van het martelaren¬leven in één enkele lijn. Het zelfportret in de avondlijke hitte in Toledo, het portret met de duiven in Londen, het zelfportret met de verlaten scheepswrakken in de haven van Davos, zij bevestigen de terugkeer naar de techniek uit de jeugd: de okeroppervlakten worden doorsneden, alleen is de groeve niet langer gewoon een gleuf waar de kleur nauwelijks is weg¬genomen. De lijn op de drie zelfportretten uit de emigratie opent zich als een etterende wonde. Het litteken beweegt zich schaam¬teloos over het gelaat en met zijn uitdrukking openbaart ze het binnenste van de schilder, zijn ziekelijke gedachten en heel zijn ongeïdentificeerde angst.
Tien jaar lang zou Mladen Šarbinović geen zelfportretten meer schilderen. Hij zou aan het laatste als zijn eindwerk beginnen op de dag toen hij werd vermoord. Een onbekende bezoeker, zonder twijfel gezonden door de geheime diensten uit het vaderland, verrasten hem toen hij de laatste hand legde aan zijn laatste beeltenis, duidelijk verdeeld in twee helften. Brutaal zou de indringer met de bijl zwaaien, alsof het niet een leven betrof, maar een schets voor een roman, en de schilder treffen in het aangezicht. Hij draaide zich om na de moord en ging buiten zonder één woord. De Franse politie vond in de Avenue Philippe Auguste het sterk bebloede lichaam. Op het gelaat bemerkt men een duidelijke groeve: ze begon onmiddellijk onder een krul van het grijze haar, daalde neer in het midden van de schedel, volgde de plooien onder de ogen en eindigde met een milde spleet onderaan het gelaat. Op de ezel stond nog het laatste doek. Het model en het beeld waren eindelijk gelijk.

Het gewone jaar 1966

De Weduwnaar en de Sardines

Juist tijdens de sluiting van de Wereldtentoonstelling in Lissabon, op een dag dat de bliksem flitste aan de horizon, anderhalf jaar voor het aflopen van de eeuw, werd dokter Alvaro weduwnaar. De begrafenis verliep in alle stilte, over de lijkbaar werd zelfs geen lijkrede uitgesproken. Dokter Alvaro sloot zich op in zwijgen.
De spullen van zijn vrouw stak hij in grote plastiekzakken, uit de zakken van de kleren verwij¬derde hij de oude aantekeningen en stak er mottenballen in. Dan keerde hij terug naar zijn patiënten die leden aan psoriasis, vitiligo of gonorroe.
De specialist in huid- en geslachtsziekten, dokter Alfonsino Alvaro, had een kabinet in een mooie omgeving, in de Rua Augusta 38a. Zijn collega's waardeerden zijn bijdrage tot de wetenschap, de zieken waren hem dankbaar voor zijn discretie en de dokter herschikte iedere avond zwijgend de klederen van zijn vrouw. Lange jurken combineerde hij met zijden blouses, een rok met een nauwelijks zichtbare vlek droeg hij naar de chemische reiningsdienst en nam een bewijsje aan op naam van zijn vrouw. De laatste dag van 1999 kocht hij op het plein Pedro Quarto een blik Griekse sardines. Er stond op geschreven: TRATA, sardelles de sogileaio, en op de achterkant: verbruiken voor 31 december 2000. Die avond, noch de volgende at dokter Alvaro de pikante sardines. In de oudejaarsnacht wandelde hij alleen door de steile straatjes van Lissabon. Bedelaars en geesteszieken die regel¬matig zijn kabinet bezochten ontweek hij en de tram en de stroom vuil water die de regen naar de troebele delta afvoerde en verder naar de oceaan. Hij wandelde langs de aan-legsteiger Maritimo. In de grote haven verdedigde hij zich met zijn oude paraplu
tegen de regen die in de kraag van zijn mantel viel. Hij keek naar de duistere scheepsrompen. De onverlichte oceaanschepen leken wel verlaten, omzeggens vervloekt, half vergaan bij het einde van een pathetische eeuw...
Half januari van dat jaar 2000 wilde hij opnieuw de sardines opeten, maar ook deze keer zag hij er van af. De volgende dag 'het was zeker dinsdag en een dag als alle andere voor een dokter' bezocht dr Alfonsino Alvaro een schoenenwinkel in de Rua Ferreira Borges en kocht er een nieuw paar gelakte avondschoenen. In de winkel stonden vele mooie modellen. De witte en zwarte schoenen blonken als de huid van een zeeschol of de heuvels van het graf van Da Ajuda... Hij koos een mooi paar uit met hoge hakken, bedoeld voor dames met fijne voeten. Hij speldde de verkoopster wat op de mouw. Hij vertelde dat hij zijn afwezige vrouw wilde verrassen. In de kast staat nu naast een rij plastiekzakken met gestreken vrouwenkleren een paar vrouwenschoenen met hoge hakken en een blik pikante sardines. De dokter behandelde dat eindjaar van de eeuw opvallend veel patiënten met besmet¬telijke syfilis. En dan kwam het nieuwe jaar er aan, het laatste van de twintigste eeuw, maar niemand dacht aan het einde van de wereld. De premier van de socialistische regering van Portugal richtte zich tot de natie met de beste wensen voor het nieuwe millennium. Terwijl hij over een stoel de kleren van zijn vrouw schikte en eronder de mooie schoenen gekocht in de Rua Ferreira Borges, aanhoorde dokter Alvaro het verhaal van enkele Amerikanen die met een vliegtuig in de richting van de rotatie van de aarde vlogen en zo gedurende acht uur nieuw¬jaar konden vieren. Hij zag niet in waarom hem dat zou interesseren en hij zette de televisie uit. Het was bijna middernacht. De deur bleef gesloten en hij zat op zijn stoel. Hij zette een oude grammofoon op en speelde de ballade Grandola vila morena. Hij opende het blik conserven met aromatisch sardines in soja-olie, maar hij dacht er niet aan ze op te eten. Op zijn stoel wachtte hij op zijn vrouw, en zijn blik richtte zich op het ovalen bord van waaruit hem vijf levenloze sardines aan¬staarden met grote olieachtige ogen. Hij overwoog hoe precies om twaalf uur deze Griekse visjes uit de dood zouden opstaan en zo ook een teken geven aan de overleden Maria Alvaro. Om middernacht, toen de revolverschoten wild weer¬galmden over de daken van Lissabon, boog de specialist voor huid- en ge¬slachtsziekten zich met wijd opengesperde ogen over de sardines, en de muziek die hij harder had gezet herhaalde zich obstinaat. Op een ogenblik leek het hem dat het oog van een van de vissen begon te schitteren, dat een van de dode sardines bewoog en wiegde met zijn staart als een sirene, maar neen, het moest een gezinsbegoocheling zijn. Zijn maaltijd zag er even stompzinnig uit als tevoren, en de dokter dacht dat hij ging flauwvallen...
Een half uur na middernacht besloot hij dat hij de vissen in de olie alleen zou opeten, maar de conserven waren over tijd en in de eerste twee dagen van de nieuwe eeuw moest hij ongebruikelijk veel overgeven. Bleek begaf hij zich naar het terras, met een gezwollen huid en tranen in de ogen en hij bekeek het nieuwe millennium dat er tenminste in die eerste dagen uitzag als het vorige: blue, gestrand op het extreme deel van de kust van Europa, leeg en onzeker. Pas de derde dag ging dokter Alfonso Alvaro de straat op, nog niet hersteld, en zonder veel over¬denkingen schonk hij al de bezittingen van zijn vrouw aan een katholieke wel¬zijnsorganisatie. Enkel dacht hij er een ogenblik over het paar gelakte schoenen te houden, alsof juist zij bestemd waren voor de overleden Maria, maar hij bedacht zich en liet ze achter...

Schrikkeljaar 2000.